zoek op deze website

Nieuws     

dinsdag 28 augustus 2018
Kreek Daey Ouwens te gast op de Nacht van de Poëzie

dinsdag 7 augustus 2018
Lovende recensies voor toneelstuk 'The Lehman Trilogy' van Stefano Massini

donderdag 26 juli 2018
Internationale première HBO serie ‘De geniale vriendin’ van Ferrante op Filmfestival van Venetië

maandag 2 juli 2018
Markus van der Graaff te gast bij Lezentv

maandag 2 juli 2018
Francesco Pecoraro op de shortlist Europese Literatuurprijs 2018

woensdag 13 juni 2018
Najaarsaanbieding 2018 online!

woensdag 6 juni 2018
Isabel Allende in 5-delige docuserie 'Sign of the Times - Gaan vrouwen de wereld redden?'

donderdag 31 mei 2018
Hans Dekkers genomineerd voor de Halewijnprijs 2018!

woensdag 16 mei 2018
Fernando Aramburu wint literatuurprijs Premio Strega Europeo 2018

vrijdag 13 april 2018
Kronieken van de liefde van Elena Ferrante boekentip in RTL 5 Uur Live

Meer nieuws... -->

Vijf sterren voor Handkes Nacht op de rivier in De Limburger en vier sterren in de NRC
maandag 5 augustus 2013

Nacht op de rivier is een unieke ontdekkingsreis naar de kern van ons bestaan.’ ***** - De Limburger

‘Een eerbetoon aan de kracht van literatuur.’ **** - NRC Handelsblad

VERLOREN EN VERSTOTEN **** (NRC Handelsblad, Kester Freriks, 2 augustus 2013)

Hij vergeleek het leed van de Serviërs in de Balkanoorlog met dat van de Joden. Dat maakte hem tot persona non grata. In een beklemmend testament, een epische roman, kijkt Peter Handke terug op zijn jeugd en schrijverschap.

Een schrijver die zichzelf ‘voormalig’ schrijver noemt, heeft zich teruggetrokken op een boot op een donkere rivier in Midden-Europa, de Morava. Zijn schip is toevluchtsoord en hotel tegelijk. Het ligt niet ver van het dorp Porodin in Servië aangemeerd, ongeveer honderd kilometer van de hoofdstad Belgrado.

’s Nachts branden er lampen die de naam vormen van het scheepshotel, ‘Moravische Nacht’. De ex-schrijver heeft een ‘roep’ door de Balkannacht doen gaan: zeven vrienden en bekenden nodigt hij uit hem een bezoek te brengen. Is iedereen eenmaal aan boord, dan zal de schrijver hen de verhalen vertellen van zijn leven.

Zo begint Nacht op de rivier, het nieuwe boek van de Oostenrijkse schrijver Peter Handke. In 2007 verscheen als Die morawische Nacht, nu is het vertaald. Handke, geboren in 1942 in Karinthië, beschouwt dit als zijn laatste grootse, epische roman, een afscheidsgroet aan de letterkunde. Het is een imposant, vaak beklemmend testament over de betekenis van het schrijverschap, zowel in persoonlijke als maatschappelijke zin. Tot op heden hield hij woord. Na 2007 verschenen nog maar enkele theaterteksten en de korte reportage Die Kuckucke von Velica Hoca.

Dit ‘intieme relaas van een Servische enclave’, zoals de ondertitel van dit laatste werk luidt, telt passages uit Handkes omstreden toespraak bij de begrafenis van president Slobodan Milosevic in maart 2006. Milosevic benoemde zichzelf eigenmachtig tot eerste president van het nieuwe Joegoslavië. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor oorlogsmisdaden, etnische zuivering en de dood van duizenden moslims in Kosovo, Bosnië en Herzegovina aan het eind van de jaren negentig. Het Servische gehucht waar hij vandaan kwam heet Velica Hoca.

In 1995 en 1996 ondernam Handke enkele reizen door Servië, voornamelijk voettochten door het platteland, waarvan hij verslag deed in het pamflet Een winterse Reis naar de rivieren Donau, Save, Morava en Drina. De ondertitel Gerechtigheid voor Servië laat niets te raden over aan Handkes standpunt: hij bepleit de puurheid en onschuld van het Servische volk dat nooit in staat kan zijn tot massamoord. Tendentieuze berichtgeving heeft het land gestigmatiseerd. Ook in scheepshotel ‘Moravische nacht’ neemt hij de verdediging van Servië met zijn vreedzame, mooie bewoners en de oude tradities van de Balkan op zich, zoals in deze passage: ‘Het enige wat resteerde was koppigheid. Die werd de mensen van de Balkan ooit verweten als zijnde de slechtste van al onze slechte eigenschappen. En nog steeds wordt dat verwijt gebruikt, zowel nu als toen door vreemde mogendheden, waar ook bij hoort dat het meest gebruikte woord voor koppigheid niet ons eigen woord is maar een leenwoord en een scheldwoord, maar die koppigheid was misschien het enige wat mogelijk was en helemaal niets kwaadaardigs, misschien kon het zelfs het laatste middel zijn om ons te handhaven en iets moois uit te stralen. Met andere woorden: iets ontroerends en verenigends.’

Handke volhardt in zijn overtuiging, al viel destijds – en nog steeds – de zogenaamde westerse intelligentsia over hem heen. In vooraanstaande kranten werd hij aan de schandpaal genageld, van ‘Balkankitsch’ beticht. Opeens was hij, de gevierde en met tal van prijzen bekroonde schrijver, persona non grata. Hij wekte nog meer verontwaardiging toen hij het leed van de Serviërs zo goed als gelijk stelde aan het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog: ‘Het volk dat in deze eeuw (na de Joden) in Europa het meest heeft geleden, dat zijn voor mij de Serviërs.’

Handke manoeuvreerde zichzelf in een onhoudbare positie met zijn pro-Servische idylle, waarin hij lyrisch schreef over ‘het aroma van het land’. Wat dreef hem? Zocht hij welbewust de confrontatie? Susan Sontag verklaarde dat Handke ‘in New York voor veel mensen die hem vroeger lazen had afgedaan’. De Franse filosoof Alain Finkelkraut noemde hem honend een ‘ideologisch monster’.

Interviews stond Handke niet toe. Hij trok zich de haat aan. Toen in oktober 2007 zijn toneelstuk Spuren der Verirrten (Sporen der verdoolden) in het Schauspielhaus Bochum in première ging, geregisseerd door Claus Peymann, was Handke de grote afwezige. Peymann nam in een gesprek dat ik met hem had de honneurs waar. Als antwoord op de vraag naar de betekenis van kunsten zei hij, in de stijl van Handke: „In donkere tijden biedt theater de droom van een beter leven, is theater een lichtpunt.”
Het stuk gaat over dwalende mensen, op de vlucht voor een niet nader benoemd onheil. Ze vinden de weg dankzij broodkruimels, stenen, linten, zelfs zoiets vluchtigs als herfstbladeren. Allemaal hoogst poëtische zaken en metaforen uit tijden van vroeger.

Voor wie bekend is met het oeuvre van Handke zal in Nacht op de rivier tal van reminiscenties vinden aan boeken als Der kurze Brief zum langen Abschied (1972), Langsame Heimkehr (1979), Unter Tränen fragend (2000) en Der Bildverlust (2002). Bovendien straalt een belangwekkende uitspraak van Handke, misschien de beroemdste uit de naoorlogse Duitse literatuur, als een poolster boven dit nachtelijke testament. In het filmverhaal Falsche Bewegung (1975) spreekt een van de personages de profetische woorden uit: ‘Wenn nur beide, das Poetische und das Politische, eins sein könnten.’

Vreemd dat geen van Handkes vijanden deze woorden citeert, want het Handke-conflict met betrekking tot Servië is hierop terug te voeren. Handke is een utopist, een romanticus die op verheven toon schrijft over een poëtische wereld. Zijn grootvader en moeder zijn van Sloveense afkomst. De saamhorigheid van het vroegere Joegoslavië symboliseert voor hem het paradijs. Dat dit land uiteen is gevallen door strijdende partijen en ten gronde is gegaan aan nationalisme, stemt hem somber. Handke zet poëzie in om tot een politiek inzicht te komen.

Het is tegen deze achtergrond dat Nacht op de rivier gelezen moet worden en reliëf krijgt. Handke noemt het Een vertelling. Samenvatten is bijna onmogelijk: er is sprake van een schimmige vrouw die de ex-schrijver met de dood bedreigt. Hij is voor haar op de vlucht. Dit is een van de weinige harde verhaalgegevens. Handke situeert Nacht op de rivier in de toekomstige tijd, na de Joegoslavische oorlogen. Feitelijk is het boek een abstracte meditatie over reizen, over ‘aardbewandelen’, zoals Handke het noemt.

Gedachten over verdwalen, het gaan op blote voeten, beschermengelen, liefde en vriendschap, de evocatie van het boerenland en de dorpen van vroeger, de weemoed om het ‘verloren en verstoten’ – zij geven aan het boek een nostalgische dimensie. De schrijver, die onmiskenbaar samenvalt met Handke zelf, blikt terug op zijn vroege jaren toen hij op het Joegoslavische eiland Krk zijn eerste roman schreef, Die Hornissen (De wespen, 1966). In die tijd ondernam hij al voetreizen door Joegoslavië, dat hij beschouwde als het culturele hart van Midden-Europa.

De jonge schrijver geloofde dat zijn eigen boeken uit de hemel kwamen vallen. De oudere schrijver daarentegen is teleurgesteld en vereenzaamd, het schrijverschap heeft hem in een ‘eenzaamheidsidiotie’ gebracht. Schitterend beschrijft Handke hoe de ex-auteur droomt van boeken die hij ’s nachts schrijft, maar die in het helle ochtendlicht spoorloos zijn verdwenen. Het hotel bevindt zich in een ‘enclave’, een verwijzing naar de bedreigde enclave waarin de Serviërs zich bevonden in oorlogstijd.

Uiteindelijk beseft de schrijver dat al zijn inspanningen vergeefs zijn: ‘Wat had hij toch te zoeken gehad bij de verschoppelingen op de Balkan? Waarom had hij hen niet aan hun lot overgelaten? Maar was het de Balkan nog wel? [...] De verschoppeling – was hij dat in werkelijkheid niet zelf?’ Was de hele onderneming van die nacht, vrij naar Faulkner, ‘een greep in het stof’ geweest?’ De deconfiture van een schrijverschap kan niet genadelozer worden geformuleerd – als een zinloze greep.

Hoewel het verankerde schip bewegingloos aan die donkere rivieroever ligt, zit het relaas van de nachtschrijver vol beweging. Elke passage gaat over bewegen, dolen door jeugdherinneringen, door tijd en ruimte, kriskras door het hart van Europa dat de Balkan is. Het gaat over geuren en impressies, zoals: ‘Mocht de Balkan voor de meeste mensen een scheldwoord zijn: voor hem en ook voor ons, zijn toehoorders in de Moravische nacht, was de Balkan iets anders. ’ De Balkan, dat is poëzie. Lees maar: ‘De vlinderparen in de zon die waarheen dan ook op reis in Europa dicht om elkaar heen dansten, amper zo groot als een duimnagel, roodbruin, met het uit cirkels en driehoeken bestaande patroon van een oosters tapijt op hun vleugels, en die telkens met z’n drieën, zo niet met meer leken te zijn: dat alles was al bij voorbaat de Balkan.’

Aan het slot blijkt het schip nauwelijks te bestaan, het is eerder een droombeeld, in werkelijkheid niet groter dan een ‘boomstamkano’. Zo luidt ook de titel van een van Handkes toneelstukken uit 1999, Die Fahrt im Einbaum. Dit nachtelijke boek vat zijn gehele oeuvre samen, van de allereerste wespen tot de laatste boomstam, de Einbaum.

De schrijver memoreert herhaaldelijk hoezeer de Servië-affaire hem heeft getroffen. Deze markeert de wending in zijn literaire leven. Hij die dacht dat het poëtische tot politiek zou kunnen worden, heeft zich misrekend. Zelfs een dichter van het kaliber van Handke kan niet straffeloos door oorlogsgebieden trekken, de lichtval op zonnebloemen noteren, de geuren van een hooizolder, in de overtuiging dat zijn lyrische relaas oorlog en wapengeweld doet verstommen en vrede zal brengen.

Tegen het einde speelt de schrijver zijn laatste, dramatische troef uit. Hij heeft de streek van zijn jeugd bezocht, het Oostenrijkse Karinthië, en keert per bus terug naar de Morava en het boomstamschip. Een passagier naast hem slaat de krant open. De schrijver ontwaart zijn naam in de kop van een vernietigend artikel over hemzelf als ‘ongeluksridder’, een man met ‘lege handen’. Dan beseft de schrijver dat zijn tijdloze geschrijf overbodig is geweest: ‘Schrijvers die serieus genomen moesten worden, hielden zich intensief bezig met actuele problemen – en hij?’ Het was niets voor hem: klimaatverandering, het gat in de ozonlaag, Irakezen met hoogtevrees.

De auteur van het kwalijke krantenartikel blijkt een van zijn vroegere vrienden te zijn, een gast in het Moravische hotel. Hij treft de literaire schrijver met het verwijt dat hij geen ‘hart had voor zijn tijdgenoten’. Het verraad is volkomen. De schrijver beseft dat hij in plaats van elke actualiteit ‘eurforisch’ was over ‘een glimwormpje, een egel, een oude straat’. Niet alleen het werk van zo iemand is ‘absurd’, aldus het krantenartikel, ook de schrijver zelf.

De toon van Nacht op de rivier is die van verzoening met Handkes literaire verleden, ook als dat tot aversie en zelfs haat leidt, en de schrijver bovendien in isolement brengt. Hij beseft dat actualiteit het in zijn ogen zinloze toverwoord van het hedendaagse schrijverschap is, maar hij weigert zich daarbij neer te leggen. Hij houdt zijn gezelschap voor: ‘Schuine lichtstralen door de wolken, kijk, soms was dat het leven.’

Er gloort hoop, ondanks alles. De vertelling in hotel ‘Moravische Nacht ’ is per slot geen treurig verhaal. Handkes testament is een eerbetoon aan de kracht van literatuur. In Nacht op de rivier legt Handke op even eerlijke als indrukwekkende wijze getuigenis af van de hooggestemde verwachting en ook de diepe deceptie van een leven gewijd aan het schrijven.


Uitgeverij Wereldbibliotheek
Johannes Vermeerstraat 63, 1071 DN Amsterdam
Tel: 020 570 61 00  -  Fax:   -  E-mail: info@wereldbibliotheek.nl (boekhandelsbestellingen svp niet naar info maar naar verkoop@wereldbibliotheek.nl)